Welzijnswet en sportinfrastructuur

Kerninfo

De welzijnswet zorgt voor het kader waarin de veiligheid en de gezondheid van de werknemers wordt gegarandeerd. Sinds 1993 wordt het ARAB geleidelijk vervangen door de Codex van het Welzijn op het werk (al zijn sommige elementen van het ARAB nog steeds van toepassing).

Het wordt al snel duidelijk dat, zowel bij de Welzijnswet als bij het ARAB, de wetgeving over veiligheidsaspecten voor de gebruikers van de sportinfrastructuur, telkens terugvalt op de context voor de werknemers in die accommodatie. Naar gebruikers van sporthallen is er geen specifieke wetgeving om hun veiligheid te garanderen. 

 

De belangrijkste elementen uit de Welzijnswet die van toepassing zijn in sportinfrastructuur zijn de volgende:

 

1. De werkgever is verplicht een veilige werkomgeving te creëren. Begrippen zoals 'Hiërarchische lijn' en 'risico-analyse ' komen hier naar voor waarbij de 'leidinggevende' verantwoordelijk wordt gemaakt voor het opstellen van een dynamisch risico-beheerssysteem. 

Wie is verantwoordelijk voor de veiligheid van de werknemers in de gemeentelijke sportinfrastructuur? De schepen? Het diensthoofd? De gemeentesecretaris? In gemeentelijke context is dat alvast een eerste moeilijke vraag om op te lossen.

2. Veilig werken op ladders en stellingen valt ook onder de welzijnswet.
Het KB is er op gericht om de arbeidsongevallen en beroepsziekten verder terug te dringen met een aantal gevolgen voor de werkgevers. Werkzaamheden op hoogte worden ook in sporthallen uitgevoerd bv bij vervangen van lampen. Je vindt enkele principes in het tabblad 'wetgeving'. 

3. Norm voor borstweringen 
De norm NBN B 03-004 'Borstwering van gebouwen' is van toepassing op alle nieuwe of te renoveren gebouwen met een definitief, openbaar of privaat karakter, zoals sporthallen. Zodra de valhoogte groter is dan of gelijk is aan 1 m (of minder indien zo voorgeschreven in het bestek), moet er een borstwering voorzien worden, zodanig dat de personen die rondstappen of stilstaan in de nabijheid van een opening niet onverwachts in het ijle zouden vallen. Meer info vind je in tabblad 'wetgeving'.

 

4. BA4/BA5-attesten voor electriciteit

zie dossier Electriciteit en sportinfrastructuur

Wetgeving

De wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (ook de welzijnswet genoemd) zorgt voor het kader waarin de veiligheid en de gezondheid van de werknemers wordt gegarandeerd.

 

De welzijnswet en haar uitvoeringsbesluiten worden voor het merendeel gebundeld in de Codex over het welzijn op het werk:

  • elke werkgever moet een welzijnsbeleid voeren gesteund op algemene principes (risico's voorkomen, bij de bron uitschakelen of verminderen; voorkeur aan collectieve beschermingsmiddelen boven individuele; zorgen voor opleiding en informatie van de werknemers). Dit beleid moet worden geïntegreerd in het volledig management van de onderneming;
  • voor het opsporen van de risico's voor de werknemers moet elke werkgever beschikken over een Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk. Voor bepaalde aspecten van deze opdracht zal de werkgever echter een beroep moeten doen op een externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk.
    Deze externe diensten, waarin diverse disciplines zijn vertegenwoordigd, worden met risico-evaluatie belast. Binnen deze diensten worden aparte afdelingen, erkend door de Gemeenschappen, belast met het medisch toezicht van de werknemers
  • externe diensten voor technische controles op de werkplaats;
  • regeling betreffende het werken met derden (contractors, onderaannemers), meer bepaald de uitwisseling van informatie en coördinatie tussen de opdrachtgever en een derde werkgever of zelfstandige;
  • werkzaamheden van uitzendkrachten bij gebruikers;
  • regeling betreffende tijdelijke of mobiele bouwplaatsen: verhoudingen tussen de verschillende intervenanten bij de totstandkoming van een bouwwerk, aanstelling van coördinatoren veiligheid en gezondheid (ontwerp + verwezenlijking);
  • de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk;
  • het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk, met als belangrijke verschilpunten t.o.v. de vroegere reglementering:

1. ook in ondernemingen met meer dan 50 werknemers waar er geen comité is opgericht, worden de opdrachten van het comité uitgevoerd door de vakbondsafvaardiging;
2. wanneer er geen comité of vakbondsafvaardiging is, worden de werknemers zelf rechtstreeks geraadpleegd;
• regeling in geval van geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag op het werk;
• maatregelen om herhaling van ernstige arbeidsongevallen te voorkomen.

 

Twee relevante elementen worden hier verder toegelicht:

 

1. Veilig werken op ladders en stellingen (KB 'Werken op hoogte')

Het KB is er op gericht om de arbeidsongevallen en beroepsziekten verder terug te dringen met een aantal gevolgen voor de werkgevers. Werkzaamheden op hoogte worden ook in sporthallen uitgevoerd bv bij vervangen van lampen.

 

Enkele principes

– Invoering van algemeen principe dat dat arbeidsmiddel moet gebruikt worden dat het meest geschikt is (dus niet dat het meest economisch is)
– Veel detailwetgeving werd geschrapt en vervangen door de risicoanalyse: d.w.z. er is een belangrijke verschuiving i.v.m. de verantwoordelijkheid naar de werkgevers
– Het gebruik van ladders voor het uitvoeren van werkzaamheden wordt sterk beperkt
– De kwaliteit van de steigers moet gegarandeerd worden (handleiding van fabrikant, berekeningsnota, montage- en demontage-instructies, instructie i.v.m. het gebruik) en er moet een bevoegd persoon aangesteld worden
– Er moet voorzien worden in degelijke opleiding en training
– Alpinistentechnieken worden duidelijk gereglementeerd

 

Meer info en details

 

2. Borstweringen van gebouwen

De norm NBN B 03–004 is van toepassing op alle nieuwe of te renoveren gebouwen met een definitief, openbaar of privaat karakter. Het kan hier zowel gaan om residentiële gebouwen, kantoorgebouwen en handelspanden als om gebouwen die bestemd zijn om een groot aantal personen te herbergen, zoals schoolgebouwen en sportzalen. De norm is echter niet van toepassing op tijdelijke beschermingselementen, noch op bijzondere bouwwerken zoals noodtrappen buiten het gebouw, borstweringen van kunstwerken, van industriële installaties, ...

  • Zodra de valhoogte groter is dan of gelijk is aan 1 m (of minder indien zo voorgeschreven in het bestek), moet er een borstwering voorzien worden, zodanig dat de personen die rondstappen of stilstaan in de nabijheid van een opening niet onverwachts in het ijle zouden vallen.
  • De borstwering moet zodanig ontworpen worden dat haar minimumhoogte overeenkomt met voorgeschreven waarden. Indien er meerdere aangrenzende normale of precaire stilstandzones zijn, is het de meest ongunstige zone die de vereiste beschermingshoogte bepaalt.
  • De openingen tussen de verticale elementen mogen maximaal 11 cm breed zijn. De hoogte van de openingen tussen de horizontale elementen moet dan weer aan bepaalde eisen voldoen.
  • Glas kan niet alleen gebruikt worden als structureel element, maar ook als vulelement in een dragend skelet. In het eerste geval moet het glas alle belastingen opvangen die aangrijpen op de borstwering en deze doorgeven aan de ruwbouw. Dit kan ofwel gebeuren door directe inbouw ofwel via dragende elementen die verbonden zijn met de ruwbouw.
 
  • ´╗┐ ShareDelen
  • Afdrukken
  • Mail een vriend

    Doorsturen

    Gegevens verzender