FAQ's subsidiereglementen

Onder deze rubriek vind je de veelgestelde vragen met betrekking tot subsidiëring van sportverenigingen en subsidiereglementen.


FAQ's subsidiëring van de sportverenigingen

Hoe moeten de beleidssubsidies van de Vlaamse overheid en de middelen die de gemeente zelf moet toeleggen verdeeld worden ?

 

De Vlaamse Overheid geeft als beleidssubsidie vanaf 2008 jaarlijks 1,5 Euro per inwoner indien de gemeente instapt in het decreet. Deze Vlaamse 1,5 Euro per inwoner moet volgens volgende percentages verdeeld worden:

  • Tenminste 50 % via directe subsidiëring aan de sportverenigingen (Hfst 1) op basis van een subsidiereglement met kwaliteitselementen.
  • Tenminste 20 % aan initiatieven omtrent andersgeorganiseerde sport (sportbeoefening buiten de sportvereniging) (Hfst 2)
  • Aan toegankelijkheid en diversiteit (Hfst 3) moet tenminste 10 % van de Vlaamse middelen besteed worden. Deze 10 % mag echter een onderdeel zijn van de 50 % en/of 20 %. Bijvoorbeeld: van de 50 % (Hfst 1) besteed je 6 % aan Hfst 3 en van de 20 % (Hfst 2)besteed je 4 % aan Hfst 3, of een ander voorbeeld: van de 50% besteed je 3 % aan Hfst 3 en van de 20 % besteed je er 7 % aan Hfst 2. Je kan ook gewoon de 10 % specifiek inzetten bij doelstellingen omtrent Hfst 3.
  • Aan doelstellingen omtrent de meerjarenplanning sportinfrastructuur kan niets van deze Vlaamse subsidie besteed worden. 
  • De resterende 20 of 30 % (afhankelijk of de 10 % voor Hfst 3 onderdeel werd gemaakt van de 50 % van Hfst 1  en/of de 20 % van Hfst 2 of apart werd ingezet voor Hfst 3) moet besteed worden aan Hfst 1 (sportvereningen) of Hfst 2 (andergeorganiseerd) of Hfst 3 (Toegankelijkheid en diversiteit) volgens het decreet. De gemeente mag zelf de verdeling over deze 3 hoofdstukken bepalen.

De gemeente legt zelf 0,75 Euro per inwoner toe (co-financiering) bij de 1,5 Euro die men van Vlaanderen krijgt. Deze verplichte gemeentelijke 0,75 Euro per inwoner moet besteed worden aan Hfst 1 (sportvereningen) of Hfst 2 (andergeorganiseerd) of Hfst 3 (Toegankelijkheid en diversiteit). De gemeente mag zelf de verdeling over deze 3 hoofdstukken bepalen.

 

Naast de beleidssubsidie voorziet de Vlaamse overheid ook jaarlijks (vanaf 2009) 0,8 Euro per inwoner een impulssubsidie omtrent een specifiek thema per legislatuur bepaald door de Vlaams Overheid. Deze subsidie moet voor deze legislatuur door de gemeente besteed worden aan de kwaliteit van de jeugdsportbegeleiders. Er wordt nog specifieke bepaling voor de besteding van deze impulssubsidie verwacht. De gemeente moet niet co-financieren voor deze 0,8 Euro impulsubsidie.

Voor alle andere middelen (dus naast de Vlaams 1,5 Euro, de gemeentelijke verplichte 0,75 Euro en de 0,8 impulssubsidie) die de gemeente inzet of wil inzetten voor sport is de gemeente volledig zelf autonoom bevoegd.

 

Hoeveel moeten wij als gemeente toeleggen op de subsidie die wij van Vlaanderen krijgen ?

 

De Vlaamse Overheid geeft jaarlijks 1,5 Euro per inwoner subsidie. Vanuit het principe "voor elke Vlaamse Euro legt de gemeente een halve Euro toe", moet de gemeente dus verplicht jaarlijks 0,75 Euro per inwoner aan sport geven bovenop de Vlaamse subsidie.

 

Hoe moet de overgangssubsidie besteed worden ?

 

Gemeenten die in het nieuwe decreet minder subsidies krijgen ten opzichte van het decreet van 1995 krijgen een degressieve overgangssubsidie. Deze moet besteed worden zoals de co-financiering. Net zoals de co-financiering van 0,75 Euro moet de overgangssubsidie besteed worden aan Hfst 1 (sportvereningen) of Hfst 2 (andergeorganiseerd) of Hfst 3 (Toegankelijkheid en diversiteit). De gemeente mag zelf de verdeling over deze 3 hoofdstukken bepalen.

FAQ's subsidiereglementen

De meerderheid (min. 51%) van de subsidies in het kader van hoofdstuk 1 van het Sport voor Allen-decreet moeten verdeeld worden op basis van objectiveerbare kwaliteitscriteria. Gemeente x voegde aan de verplichte minimumbudget gedeeltelijk de cofinanciering toe. Geldt die ‘meerderheidsregel’ ook voor de middelen van de cofinanciering?

 

Ja, als de gemeente er voor koos om naast de 50% verplichte beleidssubsidie ook de cofinanciering geheel of gedeeltelijk in te zetten voor hoofdstuk 1, dan gelden voor de cofinanciering dezelfde voorwaarden als voor de beleidssubsidie: minimum 51% van de subsidies dient verdeeld te worden op basis van kwaliteitscriteria.

 

Voorbeeld:
Gemeente x krijgt € 30.000 beleidssubsidie waarvan 50%, dus € 15.000 aan hoofdstuk 1 besteed wordt.
De cofinanciering van gemeente x bedraagt € 15.000. In het sportbeleidsplan werd bepaald dat 30% daarvan aan hoofdstuk 1 besteed zal worden, dus € 4.500. In gemeente x is er € 19.500 ter beschikking voor de directe financiële ondersteuning van sportverenigingen, de meerderheid daarvan (minimum € 9.945) dient op basis van kwalitatieve criteria verdeeld te worden.
 
 

Stel, als gemeente maak je één reglement voor de sportverenigingen en in dit reglement zit een deel budget van de beleidssubsidies van Vlaanderen en een deel eigen middelen (niet de verplichte cofinanciering) van de gemeente. Wordt de verhouding 49/51% kwantiteit/kwaliteit dan berekend op enkel het Vlaams geld of op de som van het Vlaams geld en je eigen middelen?

  

De minimum verhouding 49/51% kwantiteit/kwaliteit wordt berekend op het totale budget van het betreffende reglement. Dus zowel op het ‘Vlaams’ geld, als op je eigen geld.

 

Voorbeeld:
De gemeente heeft een reglement voor sportverenigingen met een budget van € 20.000. 10.000 Euro komt van de € 1,5/inwoner Vlaams geld en de andere € 10.000 zijn volledig eigen middelen van de gemeente (en behoren niet tot de verplicht € 0,75/inwoner cofinanciering, deze cofinanciering zet deze gemeente bijvoorbeeld volledig in op thema 2: andersgeorganiseerde sport).


Dit kan dus niet: € 5.100 gaat naar kwalitatieve criteria (nl. 51% van het ‘Vlaams’ geld) en € 4.900 (49% van het ‘Vlaams’ geld) + € 10.000 Euro (100 % van de eigen gemeentelijke middelen) gaat naar kwantitatieve criteria. Als we dan het totale budget van het reglement bekijken gaat immers € 14.900 van de € 20.000 naar kwantiteit, wat meer is dan 49 %.


Het kan dus aangewezen zijn om volledig eigen middelen van de gemeente die men niet via de principes van het decreet wenst te besteden via een apart reglement vast te leggen. Het is echter aangewezen om een integraal subsidiebeleid te voeren en afhankelijk van de lokale noden en behoeften afstemming en beleidslogica in de subsidiepolitiek te steken. 

  

Stel, als gemeente voorzie je voor de directe financiële ondersteuning van de sportverenigingen de verplichte beleidssubsidie (vb. € 40.000) en een deel eigen middelen (niet de verplichte cofinanciering) (vb. € 60.000).
De gemeente wil de beleidssubsidie volledig op basis van kwaliteit verdelen (dus € 40.000), haar eigen middelen (€ 60.000) zou ze volgens niet-kwalitatieve criteria verdelen.

Kan de gemeente dit in één reglement gieten of levert dat moeilijkheden met de verhouding 49/51% kwantiteit/kwaliteit?

 

De minimum verhouding 49/51% kwantiteit/kwaliteit wordt berekend op het totale budget van het betreffende reglement. Dus zowel op het ‘Vlaams’ geld, als op je eigen geld.

 

Voorbeeld:
In gemeente x beschikbare middelen voor één subsidiereglement: € 100.000 (€ 40.000 beleidssubsidie + € 60.000 eigen middelen). Min. € 51.000 (51%) dient verdeeld te worden op basis van kwalitatieve criteria.

Dit kan dus niet: In gemeente x beschikbare middelen voor één subsidiereglement: € 100.000 (€ 40.000 beleidssubsidie + € 60.000 eigen middelen). De € 40.000 beleidssubsidie wordt volledig verdeeld op basis van kwalitatieve criteria en voor de verdeling van de € 60.000 eigen middelen worden niet-kwalitatieve criteria gehanteerd.
In dit geval wordt de 49/51% kwantiteit/kwaliteit niet gerespecteerd en kan het dus niet, ook al wordt de beleidssubsidie voor 100% op basis van kwaliteitscriteria verdeeld. (i.p.v. min. 51% (€ 20.400) als men het in een apart reglement zou verwerken).

 

Het kan dus aangewezen zijn om volledig eigen middelen van de gemeente die men niet via de principes van het decreet wenst te besteden via een apart reglement vast te leggen. Het is echter aangewezen om een integraal subsidiebeleid te voeren en afhankelijk van de lokale noden en behoeften afstemming en beleidslogica in de subsidiepolitiek te steken.

 

Moet een sportvereniging die aangesloten is bij een erkende Vlaamse sportfederatie erkend worden door de gemeente?

 

Ja, in principe moet ze erkende worden. De gemeente kan echter wel bijkomende – laagdrempelige – erkenningsvoorwaarden stellen zoals werking in de betrokken gemeente, Nederlandstalige sportinitiatieven, basiswerking van de vereniging (vb. min. 1 jaar werking).

 

Mag een gemeente nog subsidies geven aan sportverenigingen die aangesloten zijn bij unitaire sportfederaties?

Ja, de gemeente mag nog subsidies geven aan deze clubs, maar vanaf 2010, uitgaande van het feit dat deze bonden niet zouden splitsen, kan men die niet meer inbrengen voor de verantwoording van de min. 50% beleidssubsidie in het kader van hoofdstuk 1 van het Sport voor Allen-decreet.

 

In 2008 dienen gemeenten, dankzij de overgangsregel, nog geen subsidies uit te betalen op basis van een reglement met kwalitatieve criteria. Moet er in 2008 al wel een reglement met kwaliteitscriteria zijn?


Ja, om in 2009 op een vlotte manier uit te kunnen betalen is het nodig om in 2008 de huidige subsidiereglementen om te buigen naar reglementen op basis waarvan de meerderheid van de subsidies uitbetaald wordt in functie van kwalitatieve criteria of om indien gewenst een nieuw subsidiereglement uit te werken.

 

Om in 2009 subsidies uit te betalen op basis van het nieuwe/aangepast reglement dienen op begrotingstechnisch gebied in 2008 immers al een aantal stappen ondernomen te worden: opname subsidiebedrag in voorstel budget 2009, opname in budget (beleidsnota en financiële nota) voor 2009, advies managementteam, goedkeuren budget door college van burgemeester en schepen, goedkeuren budget door gemeenteraad.

 

Daarenboven kunnen de sportverenigingen zo tijdig op de hoogte gebracht worden van de wijzigingen in het subsidiereglement, de spelregels zijn vooraf gekend. Indien de sportverenigingen op de criteria van het reglement willen inspelen, hebben ze op deze manier de tijd om hun werking aan te passen aan de nieuwe subsidievoorwaarden.

  

Als de gemeente een reglement heeft met zowel een kwalitatief als een niet-kwalitatief luik, dan weet men toch niet op voorhand hoeveel verenigingen aan de kwalitatieve criteria zullen voldoen en of het minimum van 51% van de subsidies verdelen op basis van kwaliteit behaald zal worden.  Hoe kun je dit oplossen?

 

Leg in het reglement vast hoeveel percent van het subsidiebedrag dat voorzien is voor het betrokken reglement besteed zal worden aan kwaliteit (vb. 60%) en aan niet-kwalitatieve criteria (in dit vb. 40%). Op die manier ben je er zeker van dat de beoogde verdeling bereikt wordt.

Indien er vooraf geen percentage wordt vastgelegd, kunnen volgende elementen een indicatie geven: verhouding aantal kwalitatieve en niet-kwalitatieve criteria, verhouding aantal punten/weging voor kwalitatieve en niet-kwalitatieve criteria, simulaties op basis van de gegevens die de sportdienst al heeft van de sportverenigingen, ... Het is aangewezen om in dit geval een buffer in te bouwen en niet exact de verhouding 51/49 als verdeling te nemen.

 

Op welke manier kan de gemeente subsidies voor infrastructuur voorzien?

 

Wanneer de gemeente infrastructuursubsidies voorziet met eigen middelen en een apart reglement, kan de gemeente dat zelf volledig invullen.

Indien de gemeente via de subsidiereglementen in het kader van hoofdstuk 1 van het Sport voor Allen-decreet ook voor infrastructuur wil integreren, gelden er een aantal aandachtspunten. Om een ‘vestzak-broekzak’-situatie te vermijden, kunnen dergelijke subsidies enkel gaan naar sportverenigingen die eigenaar zijn van de sportinfrastructuur of die via recht van opstal of erfpacht langdurig gebruiksrecht hebben. Daarnaast komt ook de huur of concessie van niet-gemeentelijke infrastructuur in aanmerking. Wanneer de sportvereniging gemeentelijke sportinfrastructuur huurt of in concessie heeft, kunnen ze voor het luikje ‘infrastructuur’ niet gesubsidieerd worden. De subsidies kunnen wel aangewend worden in het kader van de beschikbaarheidsvergoeding bij het Vlaams Sportinfrastructuurfonds.

Naast het aspect ‘eigenaar’ geldt bij reglementen in het kader van hoofdstuk 1 hetzelfde principe wat betreft kwaliteit, namelijk de meerderheid van de subsidie (min. 51%) wordt verdeeld op basis van kwaliteitscriteria.

  • Dus als er een apart reglement opgemaakt wordt m.b.t. sportinfrastructuur, dient min. 51% van de hiervoor voorziene subsidies verdeeld te worden op basis van kwalitatieve criteria.
  • Indien infrastructuur een onderdeel is van een ruimer reglement, dient het hele reglement aan de voorwaarde van min. 51% op basis van kwaliteit te voldoen en kan evt. de keuze gemaakt worden om bij het onderdeel infrastructuur eerder niet-kwalitatieve criteria te gebruiken.

Tot slot kan infrastructuur niet het enige criterium of reglement zijn. Het doel van hoofdstuk 1 is immers het structureel en actief ondersteunen van het sportaanbod, de werking van de sportverenigingen en dat gaat ruimer dan enkel infrastructuur. 

 

Kunnen evenementen gesubsidieerd worden met middelen in het kader van hoofdstuk 1 van het decreet Sport voor Allen?

 

Het doel van hoofdstuk 1 is het structureel en actief sportaanbod ondersteunen. Evenementen kunnen daar een onderdeel van zijn, maar de werking van een sportvereniging stoelt niet enkel op evenementen. Dus evenementen subsidiëren kan in het kader van hoofdstuk 1, maar het kan niet het enige criterium of reglement zijn.

 

Het principe dat per reglement min. 51% van de subsidies op basis van kwaliteit verdeeld wordt, geldt hier ook.

  • Dus als er een apart reglement opgemaakt wordt m.b.t. evenementen, dient min. 51% van de hiervoor voorziene subsidies verdeeld te worden op basis van kwalitatieve criteria.
  • Indien ‘evenementen’ een onderdeel is van een ruimer reglement, dient het hele reglement aan de voorwaarde van min. 51% op basis van kwaliteit te voldoen en kan evt. de keuze gemaakt worden om bij het onderdeel evenementen eerder niet-kwalitatieve criteria te gebruiken (aantal deelnemers, …) of kwalitatieve (deelname bepaalde kwetsbare doelgroepen). 

Wat met projectsubsidies in het kader van hoofdstuk 1 van het decreet Sport voor Allen?

 

Afhankelijk van de thema’s waarvoor er projectsubsidies gegeven worden en de manier waarop de aanvragen beoordeeld worden (welke criteria) kunnen projectsubsidies mogelijk zijn.


Wanneer de thema’s die via de projectsubsidies gesubsidieerd worden ten goede komen aan de werking van de verengingen en de uitbouw van een structureel en actief sportaanbod (vb. vorming/bijscholing), kadert dat in de filosofie van het decreet. Maar ook de manier waarop de subsidies toegekend worden is van belang, min. 51% van de subsidies moet immers verdeeld worden op basis van kwalitatieve criteria.


Als men enkel projectsubsidies voorziet is een aandachtspunt dat op het einde van de rit het voorziene budget (min. 50% beleidssubsidie en evt. vrije ruimte of cofinanciering) besteed werd aan de directe financiële ondersteuning van sportverenigingen. Als er weinig verenigingen intekenen op de projecten, kun je op het einde met een overschot te maken hebben... Een optie kan zijn om ook een ‘basissubsidiereglement’ te voorzien dat gebruikt kan worden indien men met een restbedrag zit. 

 

Kan een gemeente sportverenigingen erkennen die activiteiten aanbieden die niet op de sporttakkenlijst staan?


Ja, de gemeente hoeft de sporttakkenlijst niet te hanteren bij de erkenning van sportverenigingen. Op het vlak van ‘sporttak’ is de basisvoorwaarde dat de er een ‘minimale fysieke activiteit’ is. Als de sporttakkenlijst strikt gehanteerd wordt, kunnen er een aantal verenigingen uit de boot te vallen die wel een aanbod hebben met een ‘minimale fysieke activiteit’. Met betrekking tot dit onderwerp dient er dus vooral een lokale discussie gevoerd te worden.


Ter info. Via het decreet van 13 juli 2001 (sportfederaties) worden ook organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding erkend en gesubsidieerd. Daarbij geldt eveneens het kenmerk minimale fysieke activiteit. In het decreet worden er 4 clusters onderscheiden: a) traditionele volksspelen, b) internationale volksspelen, c) dierenhobby’s, d) luchtactiviteiten. 

 

De interpretatie van ‘Sport voor Allen’ roept soms nog vragen op. Kan de organisatie van bijvoorbeeld een provinciaal tornooi gesubsidieerd worden in het kader van hoofdstuk 1 van het Sport voor Allen-decreet?

 

Het aspect dat bij de organisatie van tornooien en Sport voor Allen in het achterhoofd gehouden moet worden is dat iedereen aan het tornooi moet kunnen deelnemen. Daarmee wordt bedoeld dat de deelnemers niet aan bepaalde criteria (vb. tijdslimiet, rangschikking in klassement, ...) dienen te voldoen. In theorie dient iedereen aangesloten bij een club in de betreffende sporttak deel te kunnen nemen aan het tornooi.


Indien deze voorwaarde voldaan is, dan kan het in aanmerking komen voor subsidie in het kader van het Sport voor Allen-decreet, op voorwaarde dat het niet het enige criterium/reglement is en de voorwaarde min. 51% van de subsidies voorzien voor het betreffende reglement moet op basis van kwalitatieve criteria verdeeld worden. 

 

Het aanvraagdossier voor subsidie bevat heel wat informatie die de sportdienst in bepaalde gevallen wilt controleren. Soms vraagt men bij het aanvraagdossier een volledige ledenlijst op (naam, adres, geboortedatum, ...). Strookt dat wel met de privacywetgeving?

Neen, namen van leden met daaraan gekoppeld adressen, leeftijd, … mogen in principe niet systematisch opgevraagd worden. Het mag immers niet mogelijk zijn om een link te leggen met persoonsgegeven. De sportdienst kan wel aantallen opvragen, vb. met een onderverdeling in leeftijd, woonplaats, …


De sportvereniging zelf mag wel een bestand hebben met namen gekoppeld aan persoonsgegevens, op voorwaarde dat die gegevens in proportie zijn met het doel, de finaliteit van het bestand.
Als de finaliteit van de lijst is ‘het functioneren van de club en het communiceren met leden’, kan de gemeente geen persoonsgegevens krijgen. Als er in de finaliteit van de lijst staat dat de lijst aan derden doorgegeven mag worden (met vermelding van het doel) dan kan het, afhankelijk van het doel, wel. 

ISB vzw - powered by lithium